Colin Waeghe

10.11 - 11.12 2016

De-Generaties

< Back
de-generaties

Elias et ses compagnons de routes / 80 Artistes

De-generaties

Wat telwerk leerde me dat ik als embryo aanwezig ben in het portret dat Jos Verdegem (1897-1957) schilderde van mijn moeder, Simonne Marijnissen, gemaakt als huwelijksgeschenk. Tevens de vertegenwoordiger van de eerste generatie kunstenaars die mijn artistieke wereldbeeld gevormd hebben. Als kind vergezelde ik al vroeg mijn vader, Hendrik, op de zondagochtend openingen van de tentoonstellingen in Gent. Galerie Vyncke-Van Eyck zag ik als een speeltuin en allicht leerde ik lopen in de galerij Elmar die eind de jaren '40 door mijn vader (El-) en mijn oom Roger Marijnissen (-mar) opgericht was in de Lange Kruisstraat te Gent.

Een tweede generatie waren de leerlingen van Verdegem uit de Gentse Academie, leeftijdgenoten van mijn vader, die ik als gezellige nonkels beschouwde. Los van wat ik mijn professioneel leven lang in mijn cursus 'Kunsteducatie' georakeld heb over de stichtende invloed van kunst op de mens, ben ik er eigenlijk niet zo van overtuigd of dat juist is. Ik weet niet of het wel zo goed is tussen rare kwasten opgevoed te worden. De cultuur van het anders zijn dan de gevestigde burgerij voorschrijft – kenmerk van zowel moderne als hedendaagse kunst – is natuurlijk een rijkdom in de mate dat men gediversifieerd naar de wereld leert kijken. De door de kunst gesuggereerde alternatieven voor het gewone leven zijn ongemeen boeiend, maar wat als je die zottigheden in de plaats van het 'normale' met de pap ingelepeld krijgt? Het weze zo en het is nu toch te laat voor wat mezelf betreft, zot zal ik sterven.

Die tweede generatie telde namen als Camiel D'havé, Pierre Vlerick en Jan Burssens. Ook hun entourage leerde ik kennen: Karel Dierickx, Enk De Kramer, Etienne Desmet, Jan Van Den Abbeel en Pjeroo Roobjee. Van deze laatste kocht ik op mijn vijftiende drie tekeningen uit zijn eerste tentoonstelling en kreeg er een vierde bij. Dit voor 1000 Belgische frank (25€), tweemaal het royale nieuwjaarsdrinkgeld dat ik placht te krijgen van mijn vrijgevige grootoom Albert. Een kleine collectioneur was geboren.

In de periode dat ik mijn vader hielp in zijn 'Galerij Elias' te Wieze (1971-1979) leerde ik nog meer kunstenaars kennen o.a. Paul Van Gysegem en Jacques 't Kindt en los van de galerij, Jean Bilquin en Marcase. Regelmatig bezoek aan de Zwarte Panter (Antwerpen) lieten me Fred Bervoets, Mugo, Frank Maieu en Guy Leclercq ontmoeten. Via Galerij De Ziener leerde ik Werner Mannaers kennen en Jo De Smedt. William Wauters (Oosteeklo) bracht me in contact met Jan Deconinck. Door het uitgeven van grafische relatiegeschenken voor de GIMV werkte ik samen met Bram Bogart, Ronny Delrue, Ingrid Ledent, Philippe Vandenberg en Maurice Wyckaert. Als voorzitter van het HISK werd ik bevriend met vele jonge kunstenaars en dat stopt maar niet: Charif Benhelima, Peter De Cupere, Merlin Spie, Koen van den Broek, Frederik Van Simaey, Colin Waeghe, Peter Weidenbaum, Tom Woestenborghs en nog vele anderen. Teveel om hier representatief aanwezig te zijn. Met de HISK-kunstenaars moet eens iets aparts gebeuren. Via mijn vriend, curator Sven Vanderstichelen, leerde ik ook nog ander jong talent kennen: Eric Chiafele, Olivier Deprez en Hans Everaert. En de andere deelnemers van de tentoonstelling ontmoette ik zo links en rechts. (*) Ondertussen was bekend dat ik tentoonstellingen vrolijk kon openen, al eens een wijze raad wist te verzinnen om de praktische kant van het kunstenaarschap te helpen doorstaan en dat ik graag over kunstenaars schrijf in catalogi en kunsttijdschriften. Zo leer je de makers kennen.

Misschien een wat lang verhaal om de keuze van de deelnemers van 'De-generaties' toe te lichten. Van twintigers tot zij die ondertussen de negentig voorbij zouden zijn, mochten ze er nog zijn, betekenen 7 generaties als men een decennium als maat neemt. Het zijn allemaal mensen waarmee ik momenten beleefd heb: gegeten, gedronken, gepromoot, geschreven, ingeleid, … en van wie ik van sommigen al eens een werk verzameld heb. Zeg maar : 'Compagnons de Routes' (ja, meervoud, meerdere wegen, om god te kloten die me mijn weg niet voor te schrijven heeft). Er zijn er nog en ik excuseer me bij deze voor hun niet deelname, allicht wegens ondoorgrondelijke redenen, zoals gods wegen. Of misschien omdat hun werk te ver stond van het thema. Het is inderdaad niet zo maar een samenbrengen van bevriende kunstenaars.

Er vallen een paar rode draden doorheen de tentoonstelling te weven. Er is ten eerste de reis als metafoor voor het leven of étappes ervan. Er is ook de hand als symbool van het gebaar waar de vriendschap mee (uit-)gedrukt wordt. En er is zoals gezegd de eigenschap van de kunstenaar om een ander perspectief op de werkelijkheid te tonen.


Een dergelijke verzameling van zelf gekozen werken zegt ook iets voor wie geselecteerd heeft. 'Zeg me van welke kunst je houdt en ik zal zeggen wie je bent', is een niet bestaande spreuk die desalniettemin juist is. 'Men kan niet niet-betekenen' is een gedachte die ik van mijn leermeester in de semiotiek onthouden heb, Roland Barthes. Zowel de aanwezigen als de afwezigen zijn betekenisgevend. De werken zijn er voor zichzelf, hun vorm is autonoom sprekend. Ze verwijzen ook in min of meerdere mate naar hun auteur, maar met een knipoog zeggen ze ook iets over de man die hen in 'De Markten' samengebracht heeft. De wijze waarop Sven Vanderstichelen hen in dialoog opstelt, geeft er een vierde betekenis aan. De toeschouwers vullen ze aan met varianten op een vijfde.


In een brainstorming met mede-curator Sven Vanderstichelen kwamen we tot de titel: 'De-generaties'. Het verbindingsteken geeft de mogelijkheid tot twee wegen.


Er zijn de generaties waar ik het zo net over had, maar het kan ook anders gelezen worden. 'Degeneratie' komt van het Latijnse 'degenerare: van de soort afwijken, verbasteren, ontaarden'. Dat past zeer goed bij de aard van hedendaagse kunst: ze wijkt af van de gevestigde aard, is moeilijk in soorten op te delen, ze zoekt een andere kijk. De verbastering of het hybride is een hoofdkenmerk van het postmoderne. Sinds het nazisme is het woord 'zuiverheid' vies geworden. De natuur is kruising, zo ook de cultuur, de aard van de mens, dat wat de mens kan worden.


'De Aftakeling' was een eerste werktitel van deze tentoonstelling. Etymologisch betekent 'aftakelen': het tegenovergestelde van takelen, 'het gereed maken voor de vaart.' 'Aftuigen' had ook gekund, er de werktuigen bij neerleggen.


Tijdens mijn professioneel leven werd er met takels en tuigen één en ander verwezenlijkt. Sinds 1 oktober 2016 ben ik op rust. Hoewel mijn emeritaat reeds uitbundig aan de VUB gevierd werd, wens ik dit te beklinken met een tentoonstelling. De Markten gaf me die kans, in de persoon van directeur, Nora De Kempeneer en Jan De Smedt, voorzitter van de tentoonstellingscommissie, waarvoor dank. Mijn beroepsleven ging een vaart. De takels worden er nu afgenomen. Uiteraard met de bedoeling het te heropstarten.


De 'aftakeling' is een bruikbaar woord dat als filosofisch concept zou kunnen gehanteerd worden. Het zou een mogelijke vernederlandsing kunnen zijn voor 'deconstructie', de ooit mode term van Derrida om, samengevat, de activiteit aan te duiden van het geconstrueerd zijn van elk cultuurproduct. De feitelijke betekenis van aftakelen, nl. van het schip dat in een haven van zijn takels ontdaan wordt en wacht op een nieuwe optuiging voor een vervolg op de vaart, wordt echter overschaduwd door de mistroostig klinkende afgeleide betekenis: 'achteruit gaan, verminderen in ijver, kracht, gezondheid, schoonheid enz.', zegt van Dale. Toegegeven bij het zelfstandig naamwoord staat niets vrolijks bij om naar uit te kijken: '…vermindering van de verstandelijke vermogens door hoge leeftijd.' Geen filosoof met welke hermeneutische truuk ook, kan die pejoratieve bijbetekenis optakelen. Deze angst voor het einde, niet erger dan deze van een kind voor het donker, heerst niet in de tentoonstelling. De cynicus, stijl Diogenes, die ik ben lacht dagelijks schamper met de dood. Dat voedt het leven. De bevrijding van de beroepswerkdruk (ja academische vrijheid is zowel het geluk als een lastige verantwoordelijkheid), opent wegen. Het is een levensblije tentoonstelling, een vrijage tussen de voor mij levenslang onmisbare kunst en de filosofie als gereedschapskist om haar te begrijpen, zonder overdrijven. Kunst en kijker spreken best met elkaar in stilte, de mooie ruimte, leent er zich toe.

Willem Elias.